Sie sind hier:

Het dorp de Pollen

Familie Nijkamp

Familie Kortland

Familie Reekers

Familie Actueel

Familie Foto's

Familie Parenteel

Familie Genealogie

Familie Kwartierstaten

Allgemein:

Startseite

Voorwoord

Contact

Disclaimer

en enkele achtergronden van Vriezenveen en de Pollen.

In 1846 was er een mijnheer H. Boom, die in Almelo te gast was en logeerde in hotel ''De Gouden Leeuw". Hij maakte van zijn reizen een vrij uitvoerig verslag. Zo heeft hij ook Friezenveen, zoals men toen de naam schreef, bezocht. Hij vermeldt nog dat in 1420 door Egbert, de heer van Almelo, Friesenveen officieel een dorp werd. De weg van Almelo naar Friesenveen was goed onderhouden, maar desondanks zeer slecht en modderig. Hij was blij aangekomen te zijn en dat hij bruintje op een goede dorps-stal kon zetten.

De wandeling van het Westeinde naar het Oosteinde, en omgekeerd duurde 1½ uur. Een lange straat, met zandvoetpaden ter zijde, die bij regenachtig weer moddersloten zijn, loopt door het dorp, en heeft links en rechts de woningen van ongeveer 4000 Friesenveenschen, woningen, die in bonte verscheidenheid bewijzen, dat de uitersten elkaar raken. Hier en daar een luxe woning van de Rusluie. En vervolgens een huis zonder verf, met kleine ruiten in lood, en bestaande uit keuken en schuur, de eerste zonder schoorsteen om de laatste te beroken. Hier een tuintje om de woning, met heesters en bloemen versierd, daar, een modderpoel om voor- en achterdeur, waardoor je bijna niet naar binnen kunt. Bij goed droog weer liggen echter al de woningen niet onaardig in geboomte verscholen, en heeft de natuur, door een te kunstige hand niet bedorven, schilderachtige groeperingen gevormd. Zie de schilderijen van Jaspers Fayer in de Oudheidkamer. Zeer de moeite waard om eens in het oude gemeentehuis binnen te lopen.

Nog zit de Nomadische geaardheid, die vier eeuwen geleden het voorgeslacht naar dit moerassig en veenachtig oord dreef, in het tegenwoordig Friesenveens mannelijk geslacht. Onder de zwervende kooplieden met hun linnens en damasten waren ook Friesenveners, de zgn. Rusluie. Behalve de linnenhandelaars, telt Friesenveen nog een 80 zogenaamde zaadkremers (in 1846), die alle provincies met tuinzaden doorkruizen, opgekocht in NoordHolland. Ze verkochten zelfs zaden in Hannover. Een ondernemende geest van deze kolonisten.

De heer Boom had ook nog een advies: Friesenveense vrouwen zijn zeer werkzaam, ook al omdat waneer de mannen in den vreemde waren, zij voor huis en haard moesten zorgen. Hij, die dus graag zijn wederhelft zou zien met een blauwe schorteldoek voor, en dweil en bezemsteel in de hand, ga naar Friesenveen, en tracht er een hart te veroveren. Hij hoeft niet bang te zijn voor sentimentele ijdeltuitjes, die als manlief even de deur achter zich toetrekt om in de buurt eens te gaan praten, van heimwee wegkwijnen.

De heer Boom had ook nog een advies: Friesenveense vrouwen zijn zeer werkzaam, ook al omdat waneer de mannen in den vreemde waren, zij voor huis en haard moesten zorgen. Hij, die dus graag zijn wederhelft zou zien met een blauwe schorteldoek voor, en dweil en bezemsteel in de hand, ga naar Friesenveen, en tracht er een hart te veroveren. Hij hoeft niet bang te zijn voor sentimentele ijdeltuitjes, die als manlief even de deur achter zich toetrekt om in de buurt eens te gaan praten, van heimwee wegkwijnen.
Friesenveen heeft twee maal per jaar (1846) kermis en een societeit van 30 leden
Uit: Mijne reisportefeuille, omzwervingen door Overijssel in het jaar van 1846 door H. Boom.

De Pollen
Alvorens de geschiedenis van De Pollen te behandelen, zullen we eerst trachten na te gaan hoe - Paterswal, Oude en Nieuwe Hoevenweg, K wattelsdiekien tot stand kwamen. Aan deze wegen ontstond in het begin van de vorige eeuw(1800) De Pollen.
De Paterswal, waarschijnlijk eerst een voetpad, werd aangelegd of gebaand dwars door de grote woeste Almeloervenen, door de monniken van het klooster Sibculo. Dit klooster werd in het begin van de ISde eeuw gesticht. De Schip sloot was er toen nog niet, die zou pas veel later worden gegraven. Het pad door de venen was de verbindingsweg tussen het Klooster Sibculo en het klooster Albergen. Deze weg ging niet via Almelo, doch wel over Geesteren. De route welke de monniken volgden ging ongeveer als volgt: Vanaf het klooster Sibculo volgden de broeders de Paterswal in zuidelijke richting tot ongeveer waar nu de weg door De Pollen loopt en welke vroeger Oude Hoevenweg werd genoemd. Zij volgden deze weg - toen natuurlijk een slecht begaanbare pad dwars door het veen tot daar, waar nu de Chr. School staat. Daar staken ze de Bawesbeecke- de grens van Vriezenveen - over en vervolgden hun weg langs het tegenwoordige fietspad naar West-Geesteren en vervolgens naar het klooster in Albergen.

Toen de venen langs de Oude Hoevenweg meer en meer werden ontgonnen werd de behoefte gevoeld om meer noordelijker een weg te banen dwars door het veen. Deze weg, die langzamerhand zal zijn ontstann, werd in tegenstelling met de oude weg, de Nieuwe Hoevenweg genoemd. Wanner deze precies is ontstaan, is niet bekend.
Kwattelsdiekien. Dit weggetje, dat vanaf de Geesterensweg achter De Pollen langs loopt, dankt zijn naam aan Lambert Nijboer, bijgenaamd het Kwatteltien. Deze Nijboer zijn vader woonde op het dorp en het is zeer waarschijnlijk dat Lambert, toen hij in 1822 trouwde aan het tegenwoordige dijkje een huis bouwde. Hoe ontstond de naam "De Pollen". De eerste bewoners van De Pollen vestigden zich hier omstreeks 1800. Bij de eerste nederzetting in De Pollen, moeten we ons het gebied voorstellen als een moerassige veenstreek. Dwars door dit veengebied liep als vaarweg de Schip sloot en verder een voetpad, de Hoevenweg, dat, zoals hiervoor verteld, honderden jaren geleden was gebaand door de broeders van het klooster Sinculo. Hier en daar in dit uitgestrekte veen gebied lagen zandhoogten of zoals ze in de volksmond heten "Pollen". En volgens de overlevering zou De Pollen aan deze eilandjes in het veengebied zijn naam te danken hebben.

De Schipsloot werd gebruikt voor het vervoer van de turf uit De Engbertsdijkevennen vormde te water de verbinding van Vriezenveen met het overige Twente. Het graven van deze sloot - de Schipsloot - was een heel karwei, het was niet een, twee, drie klaar, doch waarschijnlijk waren er verscheidene jaren mee gemoeid. Het is niet met zekerheid te zeggen wanneer het werk geklaard is, maar uit oude stukken blijkt dat dit waarschijnlijk geweest is in de tweede helft van de 17de eeuw. Omstreeks de jaren 1920 en later taande de scheepvaart op de Schipsloot meer en meer. Het getij verliep en de bakens moesten worden verzet. Het vervoer met paard en wagen en later de vrachtwagen, nam meer en meer toe en verschillende schuitjes werden op non-actief gesteld en lagen in de Schipsloot te rotten.Met het einde van de turfschipperij in Vriezenveen werd er ook een punt gezet achter een tot de twintiger jaren belangrijk beroep in 't Vjenne n.l. dat van turfschipper. Maar er was meer waar een eind aan kwam n.l. de turfschuitjes en zompen die de Schipsloot regelmatig bevoeren. Deze schuiten waren meestal door eenvoudige dorpssmeden en timmerlieden vervaardigd. Van de turfschuiten is er geen enkele voor het nageslacht bewaard gebleven. Vele turfschippers hebben in de twintiger jaren (1920-1930) een ander beroep gekozen. De meesten kwamen op de boerderij of in de fabriek terecht.

Uiteindelijk werd bijna de gehele Schipsloot tijdens de Ruilverkaveling in de zestiger jaren van de vorige eeuw, gedempt.

Fam. Nijkamp.